Grenshistorie

Sedert de middeleeuwen maakt Menen net als Halewijn/Halluin deel uit van het graafschap Vlaanderen. De Leie (met de Dode Leie) vormt er de grens tussen de kasselrij Kortrijk en de kasselrij Rijsel. Gedurende de 17de eeuw fungeert de grens onder Lodewijk XIV als oorlogsgrens. Op het einde van de eeuw wordt 27 hectare grond van Halluin ingelijfd bij het grondgebied van Menen voor de aanleg van de versterkingen van Vauban. De dorpskern van Halluin en de ‘meersen van Menen' in Halluin langs de rechteroever van de Leie worden door een besluit van Lodewijk XIV op 3 maart 1686 bij Menen gevoegd.

In 1779 sluiten de Oostenrijkse keizerin Maria Theresia en de Franse koning Lodewijk XVI een verdrag i.v.m. de gemeenschappelijke grens van Duinkerken tot Luxemburg: artikel 18 betreft een grenscorrectie in Menen en Halluin. Het stuk ten zuiden van de Leie tot 10 vadem ten zuiden van de weg van Menen naar Rekkem wordt door Frankrijk afgestaan. Dit stuk grond, ‘Halluin Nord' genoemd, langs de Leie, is zo'n 180 hectare groot.

De grens tussen Frankrijk en de Oostenrijkse Nederlanden wordt aangeduid door grenspalen, met aan de ene kant drie lelies (i.e. wapen van Frankrijk en van Koning Lodewijk XVI) en aan de andere kant een dubbele adelaar (i.e. wapen van Oostenrijk en van Keizerin Maria-Theresia). Op het grondgebied van Menen staat nog één dergelijke grenspaal.
Op het einde van de 18de eeuw worden onze streken door de Fransen bezet en zo verdwijnt de grens in Menen van 1793 tot 1815.
De verdragen van Parijs van 1814-15 herleiden Frankrijk tot zijn grenzen van 1792 en zo evolueert de grens tot de actuele lijnvormige grens.
Het Verdrag van Kortrijk in 1820 regelt de grenzen tussen Frankrijk en de Nederlanden. De grenslijn tussen Menen en Halluin wordt als volgt beschreven: "Vanaf het ‘Eiland van de Lantaarns' (Ile des Lanternes), dat ten zuiden van het bastion van de Capucijnen lag in de Leie, volgt de grenslijn de rechteroever van meest zuidelijke voorgracht van de versterkingen, tot ter hoogte van de sluis van de molens en de beer (batardeau) van het bastion van de Leie. Van daar gaat de grenslijn naar het zuiden toe, langs de as van de Dode Leie tot aan de weg naar Busbeke. Daar gaat de grenslijn verder naar het oosten langs de noordelijke boord van de genoemde weg tot aan de grote weg van Rijsel naar Menen zodat de weg van Busbeke naar Halluin helemaal tot Halluin behoort. Vervolgens vormt de as van de grote weg van Rijsel naar Menen over een afstand van zo'n 50 m de grens tot aan de weg van Menen naar Rekkem. Daar gaat de grenslijn oostwaarts evenwijdig met de weg van Menen naar Rekkem op ongeveer 20 m ten zuiden van die weg. De grenslijn is afgepaald door 19 grensstenen tot aan de Murissonbeek, op de grens van Menen, Halluin en Rekkem." Het tracé van de grenslijn is tot op heden hetzelfde gebleven, maar in die 180 jaar is al heel wat veranderd, zodat het tracé van de grens tussen België en Frankrijk anno 2002 soms raar en onverklaarbaar lijkt. De versterkingen van Menen en de verschillende grachten (die de grenslijn voor een groot deel bepaalden) zijn verdwenen. De loop van de Leie werd verschillende keren veranderd. De Barakken in Menen werden volgebouwd vanaf de tweede helft van de 19de eeuw door de toevloed van grensarbeiders die in Menen kwamen wonen. Het verbod om huizen te bouwen dicht bij de grens werd niet nageleefd en zo kwam er een Frans-Belgische agglomeratie tot stand in Menen-Barakken en Halluin, waar de grens nog moeilijk zichtbaar is tussen de arbeiderswoningen die in Menen en Halluin in dezelfde stijl gebouwd zijn.

Grensarbeid: ontstaan en evolutie

Een boeiend fenomeen bij het verschijnsel ‘grens' is het economische aspect van de grensarbeid. Menen speelde hierin lange tijd een sleutelrol. Het tekort aan werkgelegenheid in West-Vlaanderen in de tweede helft van de 19de eeuw heeft een omvangrijke volksverhuizing teweeggebracht, vooral naar het arrondissement Rijsel. De grensarbeid heeft zijn wortels in het midden van de 19de eeuw. De grote depressie in West-Vlaanderen in 1846-1848 was te wijten aan het samenvallen van een crisis in de linnennijverheid en het mislukken van de oogst. Voor de West-Vlamingen was het een vlucht uit de ellende.

In Noord-Frankrijk werd ondertussen een bloeiende textielnijverheid uitgebouwd. In 1886 telde Halluin 77% Belgen. In Roubaix en Roncq woonden meer Belgen dan Fransen. Op het einde van de 19de eeuw komt een kentering. In plaats van definitief uit te wijken, komt de grensarbeid als pendel (dagelijks, wekelijks) tot stand. Betere vervoersmogelijkheden en het feit dat leven in West-Vlaanderen goedkoper was enerzijds en de hogere lonen (minstens 20 %) in Frankrijk anderzijds, verklaren dit fenomeen. De bevolking van Menen steeg van 11.749 inwoners in 1880, naar 14.166 in 1890 en 18.611 in 1900 (dit is een toename van 58% in 20 jaar). Dit gaf aanleiding tot het ontstaan van de grenswijk De Barakken - nu een erkend toeristisch centrum.

Na de Eerste Wereldoorlog bereikte de grensarbeid haar eerste hoogtepunt. Het verschijnsel had haar weerslag op onze eigen economie. De lonen moesten opgedreven worden in Zuid-West-Vlaamse bedrijven en de globale industrialisatie werd erdoor bemoeilijkt. In een rapport dat in 1936 aan de regering werd voorgelegd schreef ir. J.M.L. Demeyere : "La concurrence des hauts salaires français a rendu la vie dure à toutes les industries qui se sont établis à Menin; plusieurs industries ont essayé d'y prendre pied et pour plusieurs I'essai a été infructueux". .."II faut des industries; étant donnée la position géographique toute spéciale de ces villes, nous croyons pouvoir ajouter des industries spécialisées, capables de payer à leurs ouvriers spécialiste, demandé par l'industrie française". In 1948 waren er in het arrondissement Kortrijk niet minder dan 22.600 grensarbeiders werkzaam in Noord-Frankrijk.

De eigen industrie haalde 1900 arbeidskrachten uit het arrondissement Roeselare, 2000 uit het arrondissement leper en 1200 uit het arrondissement Tielt. In de Franse grensgemeenten in de zone Armentières-Wattrelos bedroeg de totale werkgelegenheid in 1954 106.000 op een eigen beroepsbevolking van 81.050. De terugloop van de tewerkstelling in de Noord-Franse textielnijverheid (van 190.000 arbeidsplaatsen in 1954 naar 129.600 in 1968) en de toenemende industrialisatie in onze streken, luidde het einde in van de grensarbeid.

Ter afronding: in 1997 werkten 2.043 Fransen in het West-Vlaamse grensgebied.

  • Delen